23 september 2026
“Het is niet jouw fout” krijgt ieder televisieslachtoffer van seksueel misbruik te horen. Scenarioschrijvers hebben misschien goede bedoelingen, maar mij verbaast de opmerking uit de mond van een televisiedetective telkens weer. Zonder het idee van het tegenovergestelde zou ze immers niet bestaan.
Als ik wil dat iets niet gebeurt, dan is erover zwijgen het wijste wat ik kan doen. Bovendien laat dat ruimte om te praten over wat ik wel wil, zoals verantwoorde omgang met onze aandacht. De groeiende noodzaak daartoe levert uitgelezen kansen om ons te oefenen in de negeerkunst. Gelukkig ben ik oud genoeg voor enige ervaring erin.
Opgroeiend in een huishouden met als dominante factor een domme zak frustratie die mij ‘niks als stront en darmen’ noemde, wilde ik actrice worden. De synergie kenmerkend voor theater- en filmproducties, en de context waarbinnen niet mezelf zijn de norm is, hadden een grote aantrekkingskracht. Ik dacht: iedere rol is een samenstelling van menselijke eigenschappen in een eigen verhouding tot elkaar en kan ik spelen aangezien niets menselijks mij vreemd is. In die tijd leek het idee dat ouder en milder worden hand in hand gaan te heersen. Een paar decennia later roept de gedachte aan me in iedereen kunnen inleven afkeer bij me op.
Een persoonlijkheid is deels trainbaar. Allerlei gedrag is af en aan te leren. Sommige gedragingen wil ik geen enkele ruimte om in te slijten geven. De mildheid waarmee ik als kind over mensen dacht, verdween terwijl de kloof tussen arm en rijk groeide, polarisatie, demoralisatie en frustratie toenamen, en doorgeslagen vrouwenemancipatie mannenemancipatie tegenhield, allemaal door menselijk handelen. Hoewel ik de meeste mensen hun intellectuele onvermogens met alle gevolgen van dien niet kwalijk neem, vraag ik me nu toch af of hen blaam treft voor het gemak waarmee zij zich laten beïnvloeden door krachten met een destructief effect op de mens(elijk)heid.
In de hoop bij te dragen aan maatschappelijke verbetering werd ik vorig jaar lid van een politieke partij. Sinds digitale media waarvoor ‘sociaal’ het gebruikelijke woord is zich als bedreiging ontmaskerden, had de partij die internationaal voor vrijheid van informatie pleit waar mogelijk mijn stem. Voordat volksvertegenwoordigers verder vergaderen over oplossingen van symptomen van onze samenlevingsvorm, beveel ik aanpassing van die vorm aan, want hoe we onze maatschappij vormen, hangt af van wat we elkaar vertellen, en daarop is hoe we communiceren van grote invloed. De grootste invloed op dat laatste is een handjevol bedrijven met als hoogste doel zo veel mogelijk geld in handen van hun aandeelhouders. Volgens mij hoort infrastructuur van en voor ons allemaal te zijn.
In de enige politieke partij met onze informatie-infrastructuur als prioriteit zou ik toch zeker gelijkgezinden – met kans op synergie – treffen? Ik trof er een toename van polarisatie, demoralisatie en frustratie. Hoewel de partij, geheel van vrijwilligers afhankelijk, zich nog net bedroop, belandden twee groepen leden in elkaar volledig tegensprekende werelden. Aan families die onder invloed van advertentietechnologie uit elkaar vallen, zijn we gewend. Wie had gedacht dat een politiek clubje met een oorsprong in de opkomst van nieuwe informatietechnologie een zelfde lot zou ondergaan?
Leden ervan die publiekelijk gebruikmaken van advertentietechnologie zullen wat wenkbrauwen doen fronzen, maar als statistiek zullen zij niemand verwonderen. De keuze om dat te doen met een profiel waarop de partijvlag wimpelt, is een persoonlijke waartoe de partij haar leden vrij laat. Wie dat wil, mag zelfs bijdragen aan het spoor van sociale schade dat de allerrijksten met hun technologie trekken door op hun platforms partijprofielen te onderhouden. Zo hoog staat vrijheid in het partijvaandel. In de partijtheorie mag ieder drietal met een plan namens de partij naar buiten treden. De vrijheid van een drietal om een stemming onder alle leden over enkele partijprofielen te houden, bestaat binnen de partijpraktijk niet.
In lijn met de voorkeur voor vrije informatie beschrijft het programma van de partij een hoge standaard voor democratie, en samenwerking op basis van vertrouwen als uitgangspunt. Haar interne praktijk is daarmee niet in lijn. Dat bleek in toenemende mate nadat een lid zorgen over de identiteit van de partij had geuit, om te beginnen in schriftelijke groepscommunicatie.
Dat die communicatie karikaturale vormen kon aannemen, was al gebleken dankzij een nieuwkomer die groepsgenoten aanviel met absurde aantijgingen. Al te vaak kreeg geraaskal dat geen greintje aandacht waard was de legitimatie van een verdediging. In de groep met veel vrijheid voor geraaskal kwam het publieke partijgezicht ter discussie. Daartoe was aanleiding, maar daarvoor ontbrak redelijkheid.
De roep van de redelijken om beleid te bepalen, legde het af tegen een muur van spelletjes op de man, drogredenen, dienstweigering en wat dies meer zij. Terwijl opzeggingen van hun lidmaatschap toenamen, wimpelde de partijvlag ongestoord verder op het profiel waarmee iemand op het korteblogplatform van de vermogendste mens meedeed aan de spreiding van pro-Poetin- en meer van zulke sentimenten.
Ik was precies op tijd lid geworden om de uiteenval van de partij mee te maken. Aan het einde van het jaar zegde ik mijn lidmaatschap op. Eraan terugdenkend overheerst het idee van verspilde moeite. Gelijkgezinden, waaronder jarenlang voor de partij actieve ex-leden, delen dat. Misschien komt mijn kennismaking met sommigen ooit van pas. Zij hebben vooralsnog niet bewezen mijn aandacht niet waard te zijn.
Twee lieden met wie ik vriendschappelijk omging, bewezen dit jaar wel mijn negeerkunst te verdienen. Die sloeg zonder twijfel toe, want aan mensen die respectloosheid jegens mij aan de dag leggen, heb ik niks bij het beste in mijzelf naarboven halen. Omdat wat aandacht krijgt groeit en ik positief wil bijdragen aan mijn omgeving, is de keuze om afstand te nemen van een decennialange vriend zodra die zich als negatieve invloed heeft bewezen net zo makkelijk volbracht als die om zekere advertentietechnologieplatforms links te laten liggen.
Helaas is geen aandacht, dus data, geven aan een zeker bedrijf amper voldoende om mezelf recht in de spiegel aan te kijken. Met lede ogen zie ik aan hoeveel reclame zekere platforms krijgen, zelfs met deelknoppen op pagina’s die niemand erop hoeft te delen, zoals die van een gemeentelijke website met een lijst van contactgegevens, en onder journalistieke verhalen over rechtszaken tegen de platforms’ producent. Daarbij is een deelknop van een sociaal platform vaak afwezig. Hebben overheid en journalistiek geen voorbeeldfunctie, zeker met betrekking tot mediagebruik? Beide vertonen in hun vorm en inhoud meer aandacht voor monopolistische advertentietechnologie dan voor sociaal gedragen infrastructuur. Graag geef ik mijn aandacht aan hoe organisaties al dan niet verantwoordelijkheid nemen, maar om antwoord te krijgen op vragen over wat hun mediabeleid motiveert moet mij aandacht worden gegund.
Naar een manier om te bewijzen dat ik zulke aandacht verdien, zoek ik nog. Waaraan moet ik mijn aandacht vooral geven? Te vaak wordt die opgeëist. Dat geen aandacht schenken voor mij een koud kunstje is, wil niet zeggen dat ik het onderwerp van mijn gedachte vrij kan bepalen. Bijvoorbeeld de boze toon van een roepende buurvrouw dringt soms plotseling binnen. Zo’n vorm van agressie roept de bewuste keuze om afstand te bewaren op. En soms dient narigheid die ik moet oplossen zich aan, zoals nu toenemende nervositeit.
Wat ik mijn aandacht wil geven, lijkt die niet te nemen. Iets doe ik nog niet goed in mijn queeste naar synergie, maar dat is niet mijn fout, toch?
Elf Burgerman reshared this.
Piratenpartij
in reply to Elf Burgerman • • •Dank je wel. Hier nog wat extra info:
piratenpartij.nl/help-mee-met-…
Help mee met ondersteuningsverklaringen - Piratenpartij
Campagne team (Piratenpartij Nederland)Robert Schuurmans Stekhoven likes this.